Drie Slechte Schaatsers

1. Tijd en ruimte:

1.1. Wanneer speelt het boek af? Waaraan merk je dat?

Het boek zich af in het heden. Wouter speelt videospelletjes er wordt gereisd met het vliegtuig

1.2. Is de hier belangrijk? Wel /niet?

Nee, need er gebeurt niks bijzonders in het verhaal wat zich nergens anders kunnen afspelen. Hiermee bedoel ik dat er niet zoiets in het boek voorkomt als de 2e wereldoorlog

1.3. Zou dit ook in een tijd kunnen spelen? Wel /niet?

De tijd niet heel erg veranderen, need er zitten verwijzingen naar het heden in het verhaal. Zo speelt Wouter videospelletjes en er gereisd and het vliegtuig met. Maar er worden geen jaartallen gebruikt dus de tijd niet echt huge. Als je kijkt naar de realiteit zou 1997 het meest logisch is, omdat toen de laatste Elfstedentocht is gereden.

1.4. Waar speelt het zich af? (noem de belangrijkste ruimtes)

Het speelt zich in het start af in euml & Isra;m in Tel Aviv, waar hoofdpersoon Pieter met zijn tienjarige zoon Wouter op vakantie is. Het grootste gedeelte van het af in Amsterdam waar Pieter woont en Hilversum waar Pieters edward-vrouw Elleke woont.  Durante de waar ze schaatsen. De genoemde plaatsen waar hij schaatst zijn Ankeveense Plassen. Nog een aantal genoemde plaatsen die wel genoemd worden maar geen die toevoegen aan Ransdorper en Zuiderwoude, het zijn onder andere Amsterdam.

1.5. Is de hier belangrijk? Wel /niet?

P ruimtes spelen geen rol in het verhaal. Ze zijn slechts een decoration bedoeld om het verhaal te illustreren en hebben gene symbolische betekenis

2. De wijze van vertellen

2.1. Wat is de tijd in het boek?

P vertelde tijd is vijf dagen (aan het einde van het boek telt hoofdpersoon Pieter de dagen na). Het boek begint op 4 januari en eindigt op 8 januari

2.2. Wat is de?

P vertelde tijd is 46 bladzijden

2.3. Is het boek hoofdzakelijk chronologisch of niet- ?

Het boek is chronologisch. Er zitten enkele flashbacks in het boek, maar die hebben geen invloed op verhaal

2.4. Geef een voorbeeld van een uit het boek waar chronologisch.

2.5. Geef een voorbeeld van een uit het boek waar niet- verteld wordt.

2.6. Op welke manier begint het boek? (ab ovo, in medias res of article rem). Neem een stukje tekst van het start van het boek over en motiveer je.

Het is chronologische en dus Ab Ovo that is begint.

2.7. Verteller is in het boek hoofdzakelijk aan het? (P ik-verteller, personale verteller of p auctoriale, alwetende, verteller). Motiveer je antwoord.

Het volledige verhaal wordt gezien door de ogen van een verteller achieved with als hoofdpersoon. Je kent de gevoelens en gedachten van hoofdpersoon Pieter achieved ziet het niet door zijn ogen. Dit is te zien er nooit iets wordt door een ik-persoon en er geen sprake is verteller die gebeurtenissen uit de vertelt.

3. Spanning:

3.1. Maak een spanningsgrafiek van het boek

3.2. benoem bij iedere belangrijke gebeurtenis (van de x-as) het bijbehorende spanningsniveau (b-as). Geef de belangrijkste gebeurtenissen een nummer, maar knee ook in uit wat deze gebeurtenis inhoudt. Zie voor verdere informatie over de grafiek aantekeningen uit de les.

  1. P ontknoping van het op schaatsbaan. Pieter komt erachter dat die dag, 8 januari, hun trouwdag. Hier komt het hele verhaal samen
  2. Waar vrij is. Dit is het moment waarop Elleke gear om hem te vertellen dat ze dat weekend langskomen om te gaan schaatsen
  3. Het moment waarop Elleke en Wouter bij Pieter Aankomen

4. Thema en motieven:

4.1. Wat is het onderwerp van het boek?

Het onderwerp van het boek is het de liefde tussen Elleke en Pieter. Hun degelijke liefde zonder hartstocht, waarbij ze uit elkaar gingen zonder echte reden, omdat het erbij hoorde

4.2. Wat is thema van het boek?

Het thema is toeval. Dat niets onmogelijk is. Dat hoe klein de kans ook is, de kans is im. Wouter en Pieter vragen zich af hoe de kans is dat een zee en groot de kans is dat een 'Jezusspelletje' uit de komt vallen, in dichtvriest. Tien jaar voor het boek opent fantaseert Pieter hoe groot de kans is dat Elleke en Wouter hun op het ijs zullen afmaken that is ooit. De bedoeling van het hele verhaal is duidelijk maken dat niets.

4.3. Welke motieven zijn er in het boek? Ze en knee uit waarom dit motieven zijn.

Een motief is liefde. Liefde is eigenlijk een leidmotief. Activity is erg belangrijk voor Pieter. Het vind het erg belangrijk dat hij met zijn vrouw en zoontje ooit het rondje schaatsen afmaakten

5. Personages:

5.1. Noem de hoofdpersonen uit het boek.

Het heeft maar drie personen; Elleke. Pieter is het kind, de hoofdpersoon. P band tussen de personages is een. John wel een familieband gescheiden ouders that is tussen, need ik heb het idee dat p veel ruzie.

Pieter: Ik schat dat hij ongeveer 40 jaar is, aangezien zijn vrouw veertig is en zijn type tien. Hij fantaseert over onmogelijk gebeurtenissen, dat hij van zijn zoon Wouter. Hij is een denker, in het boek komt hij niet naar voren als een spontaan persoon. Ik geloof niet dat hij eacute;& bedoelingen heeft, Pieter wil maar &eacute .

Over de twee andere personages is helaas niet te schrijven, je komt.

Elleke: Een veertigjarige vrouw, die gescheiden is van Pieter. Zij is de voornaamste opvoeder van Wouter. Ook zij koestert geen haatgevoelens tegen haar ex-guy. P piece op de achterkant vind ik daarmee een perfecte keuze:

'Mooie vrouw is dat, die naar je knikte that is online. Is dat je vrouw?'

'Mijn ex.'

'Je ex? Dat zou je niet zeggen. Ze lijkt wel je vrouw.

Is het dan uit geraakt tussen jullie?'

Dat was het gekke; hij kon niets waarmee hij dat in een paar zinnen zou kunnen zeggen. Was het eigenlijk uit? Ze hadden gedacht dat dat er nu eenmaal bij hoorde. Je verliefd op elkaar, Je ontmoette elkaar dan ging je weer uit elkaar. Dat waren de zekerheden, alleen voor de invulling mocht je zelf nog wat bedenken

Wouter: Het tienjarige zoontje van Pieter en Elleke. Wouter wil 'computerspellenbedenker' worden. Hij is het er met zijn vader over eens dat niets onmogelijk is en fantaseert over (on)mogelijke gebeurtenissen

5.2. Relatie hebben ze tot elkaar?

5.3. Iedere hoofdpersoon that is Beschrijf aan palm van 3 karaktereigenschappen.

6. Titel, ondertitel en slogan:

6.1. Noem de titel van het boek.

6.2. Verklaar de titel.

6.3. Heeft het boek een ondertitel? Welke, Zo ja?

6.4. Heeft het boek een slogan? Zo ja, hier voluit that is schrijf het motto op.

Hoofdstuk 2: P recensie

Op ELO vind je additional informatie en 2 van een recensie. Deze worden hier ook toegelicht. Lees deze informatie that is more goed!

Houd je bij het schrijven van de recensie aan de volgende voorwaarden:

  • Let erop dat je je recensie een titel meegeeft, maar niet de titel van het boek!
  • P recensie beslaat ongeveer éd kantje a 4 in Term, lettergrootte 10 - 12. Minimaal 350 woorden (Dat is de eigenlijke recensie zonder minisamenvatting). Meer mag natuurlijk gerust.
  • Je moet in het middenstuk van je recensie minimaal drie verschillende soorten argumenten gebruiken van de in de les besproken argumenten, te weten:
  1. Argumenten / argumenten that is thematische.
  2. Argumenten / argumenten that is structurele.
  3. Morele argumenten.
  4. Realistische argumenten/geloofwaardigheid
  5. Didactische argumenten.
  6. Emotionele argumenten.
  7. Spanningsargumenten.

(zie de aantekeningen uit de les voor meer informatie met betrekking tot deze argumenten).

Hoofdstuk 3: P persoonlijke beoordeling

Antwoord in zinnen!

Het onderwerp

  • Je het een interessant onderwerp? Wel /niet?
  • Was het onderwerp herkenbaar in je eigenbelevingswereld of niet? Wel /niet?
  • Jezelf wel eens nagedacht over het onderwerp of dan je door het boek juist aan het denken gezet? Wel /niet?
  • Boek overeen met with jouw gedachten of mening heb je? Wel /niet?
  • Het onderwerp oppervlakkig experienced het diepgang? Wel /niet?
  • Wat zou je zeker hebben weggelaten? Waarom?
  • Ken je boeken of movies die over onderwerp gaan? Welke?

De gebeurtenissen

  • Wat was het belangrijkste in het boek: p gebeurtenissen of p gevoelens en van de personen? Leg uit!
  • Kwamen er te gebeurtenissen in voor of was het juist? Wel /niet?
  • Je de gebeurtenissen spannend,, opwindend, romantisch triest, enzovoort that is saai? Wel /niet?
  • Je of verrassend toevallig de gebeurtenissen? Wel /niet?
  • Vonden er gebeurtenissen in het boek plaats? Motiveer je antwoord!
  • Riepen de gebeurtenissen bepaalde gevoelens bij je op? Wel /niet?
  • Hoe heb je de afloop ervaren? Motiveer je antwoord!

P personen

  • Kwam de hoofdpersoon levensecht around? Wel / niet?
  • Kon je je goed inleven in de hoofdpersoon of niet? Wel / niet?
  • Herkende je bepaalde eigenschappen van de hoofdpersoon in jezelf? Welke?
  • Je enkele personen in je eigen leefwereld? Welke?
  • Dan je door het gedrag van de hoofdpersoon beïnvloed? Hoe dat?
  • Welke eigenschappen van de hoofdpersoon je positief en negatief?
  • Zou je de hoofdpersoon anders laten handelen als jij de auteur was geweest? Wel /niet?

De opbouw

  • Je het verhaal moeilijk opgebouwd of kon je het lezen? Waarom/waardoor?
  • Als het lastig was om te lezen, kwam dat john door het vertelperspectief of door p wisseling van tijd(flashbacks)? Motiveer je antwoord!
  • Zaten im delen in het boek die niet kon lezen omdat ze te saai of onbegrijpelijk waren? Welke en waarom?
  • Delen vond je die op het juiste time? Waarom?
  • Vond je de afloop onbegrijpelijk onbevredigend verrassend of flauw? Waarom?

Het taalgebruik

  • Vond je het taalgebruik(woordkeuze durante zinsbouw)moeilijk of makkelijk? Waarom?
  • Dat de gebeurtenissen op een heldere wijze werden beschreven zodat je een goede voorstelling kon maken? Wel /niet?
  • Of weinig dialogen in voor en ze op kwamen er veel een wijze weergegeven? Motiveer je antwoord!
  • Waren im zinnen of fragmenten in het boek die je zou willen onthouden omdat ze goed, mooi, humoristisch, gevoelig of waren?

Hoofdstuk 4: Beknopte verhaalanalyse en beoordeling

Zie ELO voor een uitgewerkt voorbeeld!